Past perfect

Als je in het Engels wil vertellen over twee dingen die na elkaar gebeurden in het verleden, dan moet je de past perfect gebruiken. Hier wordt uitgelegd hoe en wanneer de past perfect moet worden toegepast.

De past continuous geeft aan dat er iets gebeurde terwijl er iets ander bezig was.

Gebruik

Als je in het Engels wil vertellen dat er twee dingen na elkaar gebeurden moet je de past perfect gebruiken. Het is natuurlijk mogelijk om zoiets duidelijk te maken door twee zinnen met daarin de past simple te gebruiken, zoals in het volgende voorbeeld.

Onze moeder waste onze kleren. Toen kwamen we thuis. - Our mother washed our clothes. Then we came home.

Het is duidelijk dat de moeder de kleren had gewassen toen de personen thuiskwamen door het woordje ‘then’, het klinkt echter veel natuurlijker om van deze twee zinnen één zin te maken:

Onze moeder had onze kleren gewassen toen we thuiskwamen. - Our mother had washed our clothes when we came home.

In bovenstaand voorbeeld wordt de past perfect gebruikt om aan te geven dat de kleren waren gewassen toen de personen thuiskwamen.

Vorm

De past perfect wordt gevormd door het onderwerp (I, he, she, it, we, they, the dog, my sister, etc), gevolgd door de verleden tijd van het werkwoord ‘to have’ (in alle gevallen ‘had’) met daarachter het voltooid deelwoord.

Nu volgen nog wat voorbeelden om een en ander wat toe te lichten.

Het vliegtuig was al geland toen ik aankwam. - The plane had already landed when I arrived.
In bovenstaand voorbeeld zijn er twee dingen na elkaar gebeurd in het verleden. Eerst was het vliegtuig geland en daarna arriveerde de persoon. Omdat het landen van het vliegtuig het eerst gebeurde zetten we dat in de past perfect. Deze wordt gevormd door het onderwerp (the plane) gevolgd door ‘had’ met daarachter het voltooid deelwoord. Het aankomen van de persoon staat in de past simple.

Toen de rente sterk was gestegen gingen veel bedrijven failliet. - When interest rates had risen sharply many companies went bankrupt.
De rentestijging vond eerst plaats en daarna gingen veel bedrijven failliet. ‘to rise’ is een onregelmatig werkwoord, het voltooid deelwoord is ‘risen’. De rest van de uitleg is hetzelfde als bij het eerste voorbeeld.

De past perfect is eigenlijk de verleden tijd van de present perfect. Vergelijk:
I have never been here before (present perfect). - I had never been here before (past perfect).